Aan de Nederlandse sinoloog en diplomaat Robert van Gulik hebben wij een bijzondere romanfiguur te danken: rechter Tie. In het zevende-eeuwse China van de T’ang dynastie beleven we hoe deze onderzoeksrechter met logisch redeneren zijn verdachten ontmaskert. Tie fascineert de lezer door zijn scherpzinnig verstand en principieel karakter. Met het oplossen van de misdaad wordt de lezer uitgenodigd na te denken over wat gerechtigheid is.

 

Robert van Gulik, al van jongs af aan gefascineerd door oosterse culturen, vond bij toeval een verhaal dat Chinese en westerse literaire waarden met elkaar verenigt: Tie goeng an, geschreven in de achttiende eeuw door een onbekende auteur. Van Gulik vertaalde de Chinese tekst in het Engels en ontving hiervoor lovende kritieken van Agatha Christie, met wie hij bevriend was. Later schreef hij zijn eigen Tie-verhalen in het Nederlands. In deze detectives hield hij zoveel mogelijk rekening met de smaak van zijn publiek. Zo beschreef hij terechtstellingen – een must voor de Chinees, maar minder verteerbaar voor de westerse lezer – zakelijker dan in de oorspronkelijke versie. De invloed van bovennatuurlijke verschijnselen – een ander punt waar Chinese en westerse detectives van elkaar verschillen – beperkte hij tot het minimum.

 

De held van de misdaadverhalen is Tie Jen-Tsjiè, een Chinese onderzoeksrechter getekend naar de historische magistraat en staatsman Di Renije, die leefde van 630 tot 700. Hij maakte naam met het oplossen van ingewikkelde rechtszaken en bracht het tot minister aan het hof van de omstreden keizerin Woe Zeitian, met wie hij een moeizame verstandhouding onderhield. Na een reeks ingewikkelde paleisintriges veroordeelde zij hem tot de marteldood, maar hij wist uit de gevangenis te ontsnappen en keerde terug in zijn ambt.

 

Een druk magistraat

 

Tie is een bekwaam staatsman, maar hij maakt nog meer naam als magistraat.  Geen gemakkelijke opgave, gezien het takenpakket van de magistraat. Hij is detective, aanklager en rechter ineen.  Naast zijn justitiële activiteiten ziet hij toe op het innen van belasting, de ruimtelijke ordening en het bijhouden van geboortes, huwelijken en sterfgevallen. Als er oorlog dreigt, is hij bovendien militair commandant.
Maar nergens is de magistraat zo machtig als in zijn rechtszaal. De Chinese rechtszittingen zijn niet zachtzinnig. Zieken en hoogbejaarden genieten enige voorrechten, maar verder is voor de balie iedereen gelijk. De eerste minister knielt net zo nederig als een arme koelie.

 

Advocaten zijn er niet. De gerechtswachter staat klaar om de getuige in het gezicht te slaan bij elk ongepast antwoord en voor wie blijft ontkennen heeft de rechter een uitgebreide verzameling aan martelmethodes achter de hand. Verdachten en getuigen krijgen slaag met de zweep, moeten knielen op gloeiend hete kettingen of zien hun beenderen vermorzeld worden in bankschroeven. Zo worden van een Oeigoerse verdachte, die weigert te bekennen, beide benen gebroken: ‘Je begrijpt dat dit slechts routine is’, deelt Tie hem mee, ‘we kunnen de hele dag doorgaan.’

 

Voor hoogverraad en verkrachting staat een straf die ‘de sluipende dood’ wordt genoemd. De misdadiger wordt levend in stukken gesneden, waardoor hem de kans wordt ontnomen heelhuids het hiernamaals te betreden. Bovendien kunnen de beulen aan het hof de doodsstrijd dagen laten voortduren. Maar de rechter doet er goed aan zeker van zijn zaak te zijn, wanneer hij het vonnis voltrekt. Als een getuige bezwijkt onder de marteling en later onschuldig blijkt te zijn, moeten de rechter en zijn ondergeschikten hetzelfde lot ondergaan. Bovendien wordt hij gecontroleerd. Overal in het rijk lopen keizerlijke inspecteurs in burger de gerechtshoven af om erop toe te zien dat rechters in functie hun boekje niet te buiten gaan.

tie

Een harde wereld

 

Volgens de keizerlijke autoriteiten, en ook volgens Tie, is op deze manier de meeste zuivere vorm van rechtspraak gegarandeerd, maar in werkelijkheid werkt het systeem niet. Elke drie jaar krijgt de magistraat een ander ambtsgebied toegewezen, waardoor hij zich steeds opnieuw moet verdiepen in de lokale gebruiken. Hij is dan ook sterk afhankelijk van zijn personeel, dat in veel gevallen corrupt is. Ook de rechters zelf nemen het doorgaans niet zo nauw met de ambtelijke leerstellingen. Vaak geven zij de voorkeur aan een snelle afhandeling van de rechtszaak, in de veronderstelling dat het uitdelen van veel vonnissen hun kansen op een positie in de hoofdstad vergroot.

 

In tegenstelling tot veel van zijn collega’s, neemt rechter Tie zijn ambt wél serieus. Wanneer zijn district wordt opgeschrikt door een moord, haast hij zich naar de plaats van het delict. Meestal wordt hij vergezeld door een of meer van zijn helpers. Wachtmeester Hoeng is zijn voornaamste raadsheer. Hoeng kent Tie al vanaf zijn geboorte. Voor het inrekenen van misdadigers vertrouwt de rechter op zijn lijfwachten: de visserszoon Ma Joeng en de voormalige legerkolonel Tsjiao Tai. Beiden zijn bon vivants die gerechtelijk onderzoek het liefst uitvoeren in speelhuizen, kroegen en bordelen. Tao Gan, ten slotte, is een bekeerde beroepsoplichter die nu zijn ongeëvenaarde kennis van onderwereld, financiën, geheimschrift, liplezen en valsmunterij in dienst stelt van justitie.

 

De vier medewerkers staan de rechter continu terzijde; toch houdt Tie zich aan de zakelijkheid die eigen is aan de Chinese standenmaatschappij. Zijn luitenants spreken hem niet aan met ‘broeder’ of ‘kameraad’, maar noemen hem ‘Edelachtbare’. Dit geldt ook voor lager volk, dat door Tie regelmatig wordt afgeblaft. Beleefdheidsfrasen reserveert hij voor personen van gelijke stand.

 

Omgang met verschillende standen

 

Illustratief hiervoor is zijn onderhoud met collega-magistraat Teng. Die vraagt de rechter om hulp, nadat hij, zo beweert hij, in een vlaag van verstandsverbijstering zijn vrouw heeft gedood. Zijn verhaal klopt niet helemaal. Teng kreeg inderdaad een aanval, maar toen hij bewusteloos op de grond lag, werd zijn vrouw vermoord door een inbreker. Maar rechter Tie ontdekt dat zijn collega wel degelijk van plan was om zijn overspelige vrouw om het leven te brengen. Dat een inbreker hem toevallig voor is geweest, verandert niets aan zijn kwade bedoelingen.

 

In een gesprek confronteert Tie zijn collega met de waarheid. Hij kan hem weliswaar nergens voor oppakken, maar Tie maakt duidelijk niets meer met hem te maken willen hebben. Na lang stilzwijgen, met op de achtergrond alleen het geruis van de groene bamboebladeren in de tuin, zegt Teng: ‘Maar aangezien ik, hoewel ik daartoe het volste recht had, mijn vrouw niet heb gedood, en aangezien Koe-Shans bekentenis deze zaak heeft afgesloten, was het geheel overbodig dat u tegen me sprak zoals u nu gedaan hebt. Ik ben diep in u teleurgesteld, Tie. Iedereen noemt u een menselijk en rechtvaardig man, maar het getuigt wel van buitengewoon weinig menselijkheid mij te beschamen en te vernederen, alleen om te tonen hoe scherpzinnig u wel bent.’

 

Tie antwoordt: ’Ik haat overspelige vrouwen, maar het leven met u moet voor haar een ondraaglijke hel zijn geweest! Indien u uw overspelige vrouw de eerste keer had gedood, of als u was gevlucht en uzelf van kant had gemaakt of de Hemel mag weten wat voor wanhoopsdaad begaan, wel ja, dan had ik ondanks alles nog willen geloven dat u haar liefhad. Maar u bent er opnieuw heengegaan, Teng, en u hebt hen wederom bespied.  Dat bewijst hoe verdorven u bent en meer heb ik niet nodig. Goedendag!’

 

Teng was Ties gelijke, maar tegen iemand van hogere rang opereert hij voorzichtiger. Wanneer een danseres wordt vermoord op het feest van Ties vriend, de magistraat Lo, zijn de rechters zo onder de indruk van hun drie hooggeplaatste gasten dat zij hen niet aan een gerechtelijk onderzoek onderwerpen. Als Tie later een van de hoogwaardigheidsbekleders verdenkt van de moord, beseft hij tegelijkertijd dat hij zijn zaak niet kan bewijzen. Hij wendt zich tot rechter Lo: ‘Deze drie mannen zijn onze meerderen in kennis, talent en ervaring, om nog maar te zwijgen van de vooraanstaande positie die ze innemen in ons rijk! We zouden allebei het noodlot tarten als we ze rechtstreeks zouden ondervragen. En het heeft geen zin te proberen ze met de gebruikelijke trucs van ons vak uit de tent te lokken. Dit zijn mannen van uitzonderlijk intellectueel niveau, m’n vrind, volkomen zeker van zichzelf en op geen enkele wijze te intimideren!’

Een hooggeplaatst man, als de taoïstische wijsgeer en keizerlijk leraar Soeng Ming, ondervindt op gruwelijke wijze wat Ties rechtvaardigheid inhoudt. Joviaal vertelt Soeng wat hij allemaal op zijn geweten heeft: niet minder dan vijf moorden en vele verkrachtingen en ontvoeringen. Zorgen maakt hij zich allerminst. Zonder bewijzen, zonder getuigen en geïsoleerd in een verlaten klooster kan de rechter weinig tegen hem beginnen. Tie doet daarom alsof hij de zaak laat vallen en hij stelt Soeng voor om het ontbijt te nuttigen in de ontvangstzaal van het klooster. Samen dalen zij de stenen trappen af, als Tie hem plotseling in een kamer duwt en de deur op slot gooit. Soeng, die zich verbaasd omdraait, hoort achter hem het grommen van een grote, hongerige beer. ‘Helaas had u gelijk toen u me daareven zei dat ik u nooit voor mijn gerecht zou kunnen dagen. Daarom geef ik u nu aan een hoger gerecht over.’

 

Een overtuigd confucianist

 

Tie mag dan hard straffen, een machtswellusteling is hij zeker niet. Hij is opgeleid volgens de leer van Confucius en net als deze wijsgeer is hij van mening dat een rechter goed met goed moet vergelden, maar kwaad met gerechtigheid.

 

Tie gebruikt het confucianistische denken bij zijn onderzoek. Bij gebrek aan moderne opsporingsapparatuur lost Tie moorden op met mensenkennis, want kennis van het karakter van het slachtoffer levert meestal de beste aanwijzingen op. Dit blijkt wel wanneer hij zijn ideeën uiteenzet over wie verantwoordelijk is voor de moord op de dochter van een slager. Zij werd verkracht en gewurgd aangetroffen in haar slaapkamer.

 

‘Ongetwijfeld kunnen vrouwen bij mannen soms vreemde en wrede gedachten opwekken. Het is dan ook niet zonder reden dat onze meester Confucius over de vrouw wel eens spreekt als dat ‘vege wezen’. Maar er zijn slechts twee soorten mensen die door dat soort troebele gedachten ook tot daden komen. Ten eerste de diep gezonken gewoontemisdadigers en ten tweede de rijke wellustigen die, na jarenlange uitspattingen, de slaven zijn geworden van hun ontaarde instincten.’

 

Hoofdverdachte kandidaat Wang, die de verloofde was van het gewurgde meisje, past in geen van de dadercategorieën en gaat vrijuit. De bleke student is er de man niet naar om zijn minnares zo bruut om het leven te brengen. Bovendien mist hij de fysieke kracht. Tie sluit ook uit dat een rijke dégénéré de misdaad begaan heeft. Dit slag mensen zoekt vertier in de rosse buurt, niet bij een middenstandsmeisje. De dader moet dus gezocht worden onder de vagebonden van de stad.
Kandidaat Wang wordt wél berispt voor het verleiden van deze jonge vrouw vóór haar huwelijk. Omdat hij al dertig zweepslagen heeft gehad tijdens de ondervraging zal de rechter hem de geseling ditmaal besparen, maar Wang is wel verplicht het vermoorde meisje postuum te huwen en haar ouders te eren als zijn schoonfamilie. Zij ontvangen van hem maandelijks een som geld, net als de staat. De rechter besluit zijn vonnis met de woorden: ‘Ga nu heen en wijd je aan je studie!’

 

Minder coulant is Tie voor de student Ting. Hij probeerde er met zijn vaders bijvrouw vandoor te gaan. ‘Voor dit schaamteloze overspel zou ik jou en je minnares kunnen berechten. Maar het eerste doel van de wet is: herstellen van schade die door een misdaad is aangericht. In dit geval valt er niets te herstellen. Maar we kunnen en zullen verhinderen, dat het bederf nog verder doorvreet. Je weet wat tuinlieden doen met een boomtak die tot het merg is verrot. Zo’n tak kappen ze af om het leven van de boom te sparen. Je vader is dood, je bent zijn enige zoon, en je hebt zelf geen kinderen. Je zult beseffen dat deze tak van de familie Ting moet worden afgesneden. Dat is alles, kandidaat Ting.’

 

Tie hekelt het boeddhisme, maar hij is niet te beroerd om de confucianistische principes te delen met anderen. Hierbij houdt hij er een conservatief, om niet te zeggen xenofoob mensbeeld op na. Mongolen, Arabieren en Koreanen vallen bij Tie onder de overkoepelende term ‘barbaren.’ Als een schilder een uiteenzetting geeft van de actuele stand van zaken in de kunstwereld, speelt Ties nationalistische gevoel op: ‘Persoonlijk ben ik van mening dat onze nationale kunst volkomen in orde is en het ontgaat me wat een barbaars en vreemd volk ons nog zou kunnen leren. Maar ik wil niet beweren dat ik een kenner ben. Gaat u door!’

 

De mens achter Tie

 

Soms kan het nodig zijn de letter van de wet wat vrijer te interpreteren, bijvoorbeeld wanneer de verdachte geestesziek is. En er komen nogal wat gestoorde figuren aan zijn balie voorbij.
De notabele Tsoe bijvoorbeeld, zou eigenlijk ‘de sluipende dood’ tegemoet moeten zien, maar omdat hij lijdt aan hallucinaties, zwakt rechter Tie de uitvoering van de terechtstelling wat af. Ook toont hij medelijden met de homoseksuele officier Pan, die ter dood wordt veroordeeld. Pan voelde zich aangetrokken tot zijn collega Woe. Toen deze hem afwees, wurgde hij zijn vrouw en probeerde Woe de schuld in de schoenen te schuiven. Wanneer hij zijn bekentenis aflegt, is de hoogste bewindvoerder kort en duidelijk: ’Goed, breng hem naar buiten en ransel hem dood met de dunne rotan!’ Dan grijpt Tie in: ’Ik vraag clementie. Zijn vader beval hem te trouwen. De natuur heeft hem anders gericht, het leven bleek te moeilijk voor hem. Ik stel de doodstraf voor zonder tortuur.’
Een verzoek dat gelijk wordt ingewilligd.

tie3

Tie is ook weleens mild in civiele zaken. De voormalig prefect Hoea is indirect verantwoordelijk voor de dood van zijn schoondochter. Omdat Hoea verzuimde het plafond te onderhouden, kon een adder het huis binnenkruipen. De schoondochter werd gebeten en overleed. Hoea had ernstig gestraft kunnen worden wegens nalatigheid, maar zijn literaire titel zorgde ervoor dat hij strafvermindering kreeg.

 

Tie kent ook genade met de lage klassen. Bijvoorbeeld in het geval van mevrouw Bie, die hardnekkig bleef geloven in de onschuld van haar schoondochter. Mevrouw Bie frustreerde het onderzoek en zou dus voor belemmering van de rechtsgang veroordeeld moeten worden. Maar als Tie de schoondochter gearresteerd heeft, ontziet hij mevrouw Bie vanwege haar ‘uitzonderlijke domheid’.

 

Ties moraal

 

Meer dan uit al het andere, blijkt Ties menselijkheid uit de maat waarmee hij zichzelf meet. In een uiterst ingewikkelde moordzaak staat hij aan de rand van de afgrond. Een vrouw heeft haar man vermoord door een nagel in zijn achterhoofd te slaan. De nagelkop is zo klein dat de lijkschouwer het moordwapen niet weet te vinden. Als Tie tevergeefs een tweede lijkschouwing uitvoert, lijkt zijn lot bezegeld. Op grafschennis staat de doodstraf en aangezien Tie het slachtoffer heeft opgegraven zonder aanwijsbare reden, rest hem niets anders dan zichzelf aan te geven.

 

Hij is de wanhoop nabij als de vrouw van de lijkschouwer hem uit de brand helpt. Zij vertelt hem hoe de moordenares waarschijnlijk te werk is gegaan. Maar in haar hulp, zit gelijk een bekentenis. Ook zij heeft haar vroegere man op deze wijze om het leven gebracht. De rechter ziet zich genoodzaakt haar te vervolgen, met pijn in het hart: ’Het heilige patroon moet worden hersteld…het moet worden hersteld, zelfs wanneer dat onszelf vernietigt. Geloof me, deze overtuiging is sterker dan ikzelf. De dagen die komen zullen een levende hel voor je zijn…en voor mij. Als je wist hoe ik wilde dat ik anders had kunnen handelen! Maar dat kan ik niet, en dan jij, jij die het was die me gered heeft! Vergeef me!’

 

Rechter Tie maakt voor zichzelf geen uitzondering: de hoge eisen die hij aan anderen stelt, stelt hij ook aan zichzelf. Hiermee doet hij een beroep op de moderne lezer, die voortdurend geconfronteerd wordt met zaken van goed en kwaad. Wat is het antwoord van de moderne lezer op de door rechter Tie gestelde vraag: wat is rechtvaardigheid?

Lees het artikel op LeesLiter