Midden 8ste eeuw stichtte het Arabische koningshuis der Omayyaden het emiraat van Córdoba, later tot kalifaat verheven, in Andalusië (El-Andalus). Ondanks de tolerante politiek groeiden er sociale spanningen en het islamitisch rijk ging na het jaar 1000 aan interne chaos ten onder. Het Arabische sprookje op Spaanse bodem eindigde in een heuse volksopstand.

Gevlucht uit Damascus na de val van de Omayyaden in 750 zette Abd-al Rahman I na lange omzwervingen koers naar Andalusië, dat veroverd was door zijn grootvader, om daar de dynastie voort te zetten. Met een agressieve veroveringspolitiek verdrong hij de christelijke vorstendommen naar het noorden van Spanje, terwijl zijn marine de Vikingen verdreef en gebieden veroverde in Noord-Afrika. In 756 riep Abd-al Rahman I zichzelf uit tot emir van Córdoba. Door zijn optreden haalden concurrerende moslimrijken in de Maghreb het niet in hun hoofd om de oversteek te wagen naar Andalusië.

 

Abd al-Rahman.

Centrum van Europa

De Omayyaden brachten de Spaanse landbouw tot leven. Hun eeuwenoude irrigatietechnieken wierpen hun vruchten af en met de verhoogde opbrengsten van het land legden de ze de basis voor verdere uitbreiding van de economie. De ontwikkeling van onder meer de textiel-, metaal- en glasindustrie verrijkte de staat. Córdoba groeide uit tot de grootste stad van Europa en één der belangrijkste financiële, commerciële en culturele centra ter wereld. Keramiek, ijzeren wapenrustingen en fijn geweven tunieken uit Andalusië werden gewilde producten op mediterrane markten. Omstreeks 780 werd de Mezquita (Spaans voor moskee) gebouwd, nu één van de cultuurschatten van Spanje. In het jaar 1000 telde de stad officieel 450.000 inwoners, volgens sommige bronnen zelfs meer dan het dubbele. Ook beschikte Córdoba over de grootste bibliotheek ter wereld met 400.000 boeken. Zelfs Byzantijnse ambassadeurs – die in eigen land wel wat gewend waren – raakten bevangen door de grandeur van het koninklijk paleis.

 

Islamitische strijders.

Bekering tot islam

Echter, onder de ogenschijnlijk onaantastbare welvaart van de Omayyaden sluimerde burgerlijke onvrede. Maatschappelijke ongelijkheid verdeelde het land langs etnische lijnen. Arabieren en, in mindere mate, Berbers bekleedden topfuncties in bestuur, rechtspraak, leger, kunst en zakenleven. De inheemse inwoners van Andalusië hadden het aanzienlijk moeilijker. De Iberische stammen, en de nazaten van Romeinen en Goten, moesten zich schikken naar de realiteit van islamitisch bestuur. Zij werkten als arbeiders, dagloners en ambachtslieden. Andalusiërs die zich bekeerden tot de islam (mowallads) konden dienst nemen in het leger, maar stonden nog steeds onderaan de maatschappelijke ladder. Weg van de weelde van het Córdobaans paleis klonk niet het poëtische Arabisch van de hofdichters, maar de rauwe Spaanse volkstaal van marktlieden, metaalarbeiders en straatbendes. Boven het stadsrumoer nipten joodse koopmannen van hun muntthee. De grote joodse gemeenschap deed het goed onder het bestuur van de Omayyaden. Vooral in zakelijke en intellectuele kringen kregen joden de gelegenheid hun talenten te ontwikkelen.
Het succes van de joden, en enkele christenen, ten spijt, bleef bekering tot de islam de sleutel tot maatschappelijk succes. Moslims profiteerden van belastingvoordelen, kregen beter betaald en hadden recht op wapenbezit. Civiele rechtbanken stelden islamitische burgers vrijwel altijd in het gelijk in geschillen met niet-moslims. Niet verwonderlijk dat de samenleving in snel tempo islamiseerde. De Omayyaden probeerden ook de Iberische bevolking te bekeren tot de staatsgodsdienst, al bleef de christelijke kalender aangehouden: Kerstmis en Nieuwjaar werden zelfs officiële feestdagen.

 

Buste van Ibn Abi Amir, alias Al-Mansoer.

Emiraat wordt kalifaat

Toch was het niet van bovenaf, dat de islam doordrong tot alle lagen van de maatschappij. Gemengde huwelijken en verstedelijking creëerden een samenbindende islamitische identiteit. De weg naar Allah opende niet alleen deuren tot sociale vooruitgang, maar bracht verschillende bevolkingsgroepen ook dichter bij elkaar. De opkomst van de islam versterkte de saamhorigheid onder de bevolking, maar zou op den duur minder voordelig uitpakken voor de overheid.
Mowallads, Arabieren en Berbers van lage komaf identificeerden zich met lokale islamitische instituten. Moskeeën, gilden en theehuizen stonden veel dichter bij de Andalusische bevolking dan de bestuurders achter de paleismuren. Zeker nadat de Omayyaden een dure vergissing begingen: in 929 bombardeerde emir Abd- al Rahman III zichzelf tot kalief, oftewel politieke en geestelijke leider van de mondiale islamitische gemeenschap (dar al-islam). Het emiraat El-Andalus werd een kalifaat. Een gewaagd besluit, dat niet goed viel bij de Andalusiërs. Zij begrepen dat het kalifaat zijn naam niet kon waarmaken. De Omayyaden waren machtig op het Iberisch schiereiland, maar hadden weinig te vertellen in andere islamitische gebieden. In de ogen van de lagere klassen lag de werkelijke macht van de islam in Mekka, niet in Córdoba. Voor hen was het eenzijdig uitroepen van het kalifaat een geforceerde manier om hun gezag te rechtvaardigen. De bevolking verloor het geloof in de overheid.

 

Het kalifaat omstreeks het jaar 1000.

Opkomst Al-Mansoer

Ook binnen de paleismuren lagen de Omayyaden onder vuur. Tegen het einde van de 10de eeuw waren de glorietijden voorbij. Na de dood van Abd-al Rahman III in 961 vielen zijn opvolgers ten prooi aan sinistere complotten. Achter de coulissen van het hof in Córdoba verschoof de feitelijke macht van de Omayyadische kaliefen naar de hajibs of adviseurs. Dit schimmige politieke klimaat was de ideale biotoop voor een sluwe vos als hajib Ibn Abi Amir, beter bekend als ‘Al-Mansoer’.
De zoon van een predikant groeide op met de kunsten der welbespraaktheid en hoffelijke omgangsvormen. Als kassamedewerker maakte hij handig gebruik van deze kwaliteiten om in de smaak te vallen bij winkelend paleispersoneel. Al gauw regelden zijn nieuwe vrienden voor hem een baantje aan het hof. Eenmaal binnen ging Al-Mansoer voortvarend te werk. Hij legde het aan met de moeder van de minderjarige kalief en klom, via haar, naar een positie van ongekende macht. Zijn concurrenten speelde hij tegen elkaar uit, om ze vervolgens één voor één uit de weg te ruimen.

 

Voor de bouw van de grote moskee van Córdoba liet Abd el-Rahman I de marmeren zuilen van nabijgelegen Romeinse villa’s hergebruiken. Deze waren echter te klein om de gewenste hoogte te behalen, waardoor een tweede boog nodig was, met als resultaat een uniek gebouw. Nadat de Spaanse koning Ferdinand III de stad in 1236 had heroverd, werd de moskee omgevormd tot kathedraal en sedertdien is het voor moslims verboden om er te bidden, op zeldzame uitzonderingen na. Zo hebben leden van de Saudische koninklijke familie hiervoor al eens toelating gekregen. Officieel heet het gebouw nog steeds ‘Mezquita Catedral de Córdoba’, de moskee-kathedraal. Het gebouw heeft de rood-witte bogen en marmeren zuilen van de oorspronkelijk moskee bewaard en is in 1984 door de UNESCO op de lijst van het Werelderfgoed geplaatst.

Buitenlandse elite-eenheden

De jonge kalief hield hij gemakkelijk aan het lijntje. Al-Mansoer bedwelmde hem met de verlokkingen van het koninklijk leven en benam hem de lust tot regeren. Officieel was Al-Mansoer slechts adviseur, maar in feite had hij – zonder het ophouden van enige schijn – alle macht in handen. Buiten Córdoba liet hij een voorstad aanleggen, Al-Zahirah, bestuurd door een apparaat dat alleen aan hem verantwoording aflegde. Hij wisselde legerofficieren voortdurend van post, zodat ze geen plaatselijk netwerk konden opbouwen. In een moeite door onthief hij alle moslims van militaire dienstplicht. Een meesterlijke zet, want ondertussen zorgde de geslepen politicus ervoor dat hij wél over militaire macht beschikte. Al-Mansoer vertrouwde op twee buitenlandse elite-eenheden: Slavische paleiswachten (Siqlaba) en nieuwe Berbertroepen uit Noord-Afrika. Dezen liet hij de bestuurlijke en militaire topposities overnemen van de Arabieren.

 

Restanten van de medina van Azahara.

Huurlingen

De slimmigheden van Al-Mansoer mochten hem wel succes aan het hof brengen, de straat wist hij niet voor zich te winnen. Loonarbeiders en stadshandelaren waren ontevreden over de zware belastingen. De economie ging achteruit en dat kwam, in de ogen van de bevolking, door de komst van de nieuwe buitenlanders. Zij bezetten de beste banen en -nog erger – de nieuwkomers deden geen moeite zich te integreren in de samenleving. De nieuwe Berbers spraken slecht Arabisch, interesseerden zich niet voor de plaatselijke politiek, noch voelden ze de behoefte aan toenadering tot de Berbergroepen die al jarenlang in Andalusië woonden. Onwelkom in de samenleving, vertrouwden de nieuwe Berbers op een sterke groepsidentiteit, gebaseerd op militaire kameraadschap. Ook de Siqlaba beseften dat zij op zichzelf waren aangewezen. Zij woonden in enclaves op het platteland en namen geen deel aan het stedelijk leven. De geïsoleerde, maar levensgevaarlijke huurlingenlegers begrepen dat zij niets goeds hoefden te verwachten van de plaatselijke bevolking.
De onvrede nam de vorm aan van een religieus conflict. Bekeerd en getraind aan het Córdobaanse hof, belichaamden de buitenlandse huurlingen een uitheemse versie van het geloof. Hun geloof was dat van de machthebbers, niet de proletarische islam die de bevolking van Andalusië verenigde. De verschillende interpretaties van de staatsgodsdienst betekenden opnieuw een struikelblok voor toenadering tussen de elite en het volk.

 

De Mezquita.

Playboy aan de macht

Wist Al-Mansoer de sociale spanningen nog met ijzeren hand in bedwang te houden, bij zijn overlijden werden de zaken ingewikkelder. Zijn zonen misten politieke daadkracht en met name ‘Sanchuelo’ negeerde de regeerstoel en stortte zich liever in het nachtleven van Córdoba. Bovendien zette hij de hofhouding op zijn kop door zijn tweejarige zoontje te benoemen als naaste adviseur. Niet alleen het volk, ook de paleiselite was ontevreden.
Een coup d’état kon niet uitblijven. Met een bliksemactie op 15 februari 1009 bestormde een Omayyaden-brigade het paleis en hielp een nieuwe kalief aan de macht: de genadeloze opportunist Mohammed ‘Al-Mahdi’. Hij speelde in op de frustraties van het volk. De Berbers, die toch al niet geliefd waren, vormden een ideaal mikpunt om de neuzen dezelfde kant op te krijgen. Hij dwong de Berbers in een sociaal achtergestelde positie, verbood hun wapens te dragen en maakte zo de weg vrij voor een genadeloze afrekening: Een beloning op ieder Berberhoofd.
De Andalusiërs in Córdoba kregen van Al-Mahdi dagenlang de ruimte om ongestoord hun gang te gaan. Misdadigers werden zelfs vrijgelaten om mee te helpen in de uitzinnige jacht, verkrachting en moord op duizenden Berbers, en op iedereen die hiervoor werd aangezien.
Het Al-Zahirah complex – eens het pronkstuk van Al-Mansoers macht – werd met de grond gelijkgemaakt en volledig geplunderd. Met Al-Mahdi aan het bewind kwamen de Omayyaden terug aan de macht.
Buiten Córdoba zonnen de Berbers op wraak. Zij sloten een opmerkelijk bondgenootschap met christelijke staten en met deze nieuwe vrienden trokken de Berbers een spoor van vernieling door Málaga, Toledo en Badajoz. Anarchie en economische crises teisterden het eens zo welvarende kalifaat. Het islamitische rijk viel langzaam maar zeker uiteen in verschillende staatjes. Nieuwe machthebbers installeerden eigen getrouwen en selecteerden mensen uit lagere klassen van de maatschappij. Malafide figuren uit de onderwereld kregen een baan aan het hof, wanneer zij onverschrokken en daadkrachtig overkwamen. Voor geleerde en bedachtzame beleidsmedewerkers was geen plaats in oorlogstijd.

lees het artikel in G-Geschiedenis magazine