Een historische verklaring voor de Riffijnse woede

Vanaf begin juli assisteer ik Rif Alert, een burgerinitiatief bedoeld voor Marrokkaanse Nederlanders die willen weten of ze deze zomer veilig op vakantie kunnen gaan naar Al Hoceima. De havenstad vormt al maandenlang het strijdperk voor woedende betogers en driftig rondmeppende ordetroepen met geheven stokken.  Net als in voorgaande jaren protesteren de Riffijnen tegen hun achtergestelde positie in Marokko. Ze hebben in hun woongebied geen toegang tot hoger onderwijs en ziekenhuizen. Ze leren niets over hun geschiedenis en ouders mogen hun kinderen zelfs geen Berberse namen geven. Hoe komen de verhoudingen met de overheid zo verstoord?

De Spaanse periode

De oorsprong van de achtergestelde positie van de Rif ligt in de koloniale periode. Het gebied kwam begin twintigste eeuw in handen van Spanjaarden. Waar de Fransen als beschermheren van de sultan tussen 1912 en 1956 grote delen van Marokko ontwikkelden, besteedden de Spanjaarden minder energie en geld in hun protectoraat.

Toch denken oudere Riffijnen graag terug aan de Spaanse tijd (1912-1956). Exotische nonnen in witte gewaden liepen door de straten van Al Hoceima. De stad kende een bioscoop, cafeetjes met gemengd publiek en karakteristieke laagbouw die de bewoners beschermde tegen aardbevingen. Riffijnse krijgers, die de kolonisten hadden bestreden in voorgaande jaren, traden nu in dienst van het Francistische leger. Zij vochten in de Spaanse Burgeroorlog. Gehard in de strijd en gewaardeerd door de bevelhebbers, keerden de veteranen terug in de Rif. Dit keer, met een zakcentje. De rollende peseta versoepelde de smokkel van hasj. Via de Spaanse steden Ceuta en Mellilla stroomden de drugs Europa binnen. Naast de hennepteelt,  werkten Riffijnse arbeiders een deel van het seizoen in buurland Algerije, waar de lonen twee tot soms wel vijf keer zo hoog lagen.

 

Strand Al Hoceima

 

De situatie veranderde met de onafhankelijkheid van Marokko op 3 maart 1956. Een feest voor de Marokkanen, een teleurstelling voor de bewoners van het Rif-gebied. De identiteitskaart moest tevoorschijn worden gehaald, het geweer ingeleverd. De peseta ging overboord en de dirham maakte zijn intrede.  Een klap voor de hasjsmokkel, die door de overheid aan banden werd gelegd. Voor de seizoensarbeiders eveneens geen goed nieuws. Zij moesten thuisblijven, vanwege de oorlog in Algerije.  De Riffijnen misten, naast hun inkomsten, ook de Spaanse gezagsdragers. Zij maakten plaats voor vertegenwoordigers van de Marokkaanse overheid. De ambtenaren hadden geen banden met de regio, spraken geen Berberse taal en stonden, in de ogen van de lokale bevolking, symbool voor het nieuwe bewind dat hun banen afpakte en de Rif verwaarloosde.

De Riffijnen hadden een punt. De nieuwe ambtenaren kwamen inderdaad voort uit de Istiqlal-beweging. Een groepering van voornamelijk Arabische studenten en middenstanders die in de jaren 1920 het nationalistisch vuur in hun land verspreidden. Zij hadden na de onafhankelijkheid Marokko opnieuw ingedeeld, met weinig plaats voor de Riffijnen. En dit, terwijl dezelfde nationalisten vóór de onafhankelijkheid nog de straten opgingen, omdat zij hun verbondenheid met de Berbers wilden tonen.

Met vreedzame protesten uitten zij hun onvrede over het Franse decreet van 1930. Dit wetsartikel verleende de Riffijnen meer autonomie. Het werd onderbouwd met wetenschappelijke beweringen dat Berbers Europese voorouders hadden en een glorierijke cultuur bezaten die door de komst van de islam en de Arabieren in verval was geraakt. Het Franse verdeel-en-heers spel frustreerde de Arabieren en stuitte eveneens tegen de borst van de Berbers. Zij wantrouwden de Fransen en vreesden dat zij hen wilden kerstenen en hun grond wilden afpakken. De eensgezindheid tussen Arabieren en Berbers, waar even sprake van leek te zijn, verdween met de komst van koning Mohammed V. Hij mocht van de Fransen terugkeren uit ballingschap en hij kon hun belangen dienen in het onafhankelijke Marokko.

 

Sfeerfoto Al Hoceima

De hand van Hassan

Een gok die verkeerd uitpakte. Koning Mohammed V hield vast aan de macht, met harde hand. Groeperingen die hem onwelgevallig waren, liet hij vernietigen. Geen regio, echter, kreeg zo erg de volle laag als de Rif in 1958. Het gebied was opstandig, zat dichtbij extremistisch Algerije en kende bovendien eerder een eigen staat (1921-1926). Voor de koning reden genoeg voor een militaire operatie.

Hij stelde zijn zoon en beoogd opvolger Hassan aan als bevelvoerder. De kroonprins  voerde een persoonlijke vendetta uit. Bij zijn laatste bezoek aan de Rif werd zijn vliegtuig onder vuur genomen. Hassan (later als koning verantwoordelijk voor duizenden vermisten, executies, en gevangenisstraffen) zou  een dergelijk incident moeilik uit zijn hoofd zetten. Hij verraste de Riffijnen op 2 oktober 1958 met een amfibische landing in Al Hoceima. 20.000 soldaten hielden plundertochten door de steden in de Rif. Duizenden burgers werden gedood, de oogst vernield, vrouwen verkracht en levend begraven. De leiders van de opstand werden, volgens sommigen, opgepakt en vanuit helikopters in zee gegooid.

De misdaden tegen de Riffijnse bevolking bleven onbestraft. Sterker, de volgende decennia zou de Rif het toneel worden van verwaarlozing, discriminatie en mensenrechtenschendingen. Nog in 1984 beantwoordde Hassan betogingen in de Rif met een strafexpeditie. Hierbij kwamen volgens de Marokkaanse autoriteiten zeker 14 mensen om het leven. De Riffijnen , en Amnesty International, houden het op honderden doden.

Tegenwoordig heeft Al Hoceima geen bioscoop meer, laat staan een universiteit. De Spanjaarden zijn vertrokken. De huidige gezagsdragers doen niets voor het gebied. Een café staat er nog; voor kansloze, gefrustreerde mannen.

Tegen de achtergrond van de gewelddadige gebeurtenissen in met name 1958 en 1984 is de woede van de Riffijnen wellicht beter begrijpbaar. Het uitblijven van kansen is geen gevolg van geldgebrek, maar komt voort uit de jarenlange tegenwerking en repressie van de Marokkaanse overheid.