Artikelen

Een greep uit het geschreven werk
Franse troepen in Naarden (1813-1814)

Franse troepen in Naarden (1813-1814)

Afbeelding: Kozakkenvoorpost in 1813. Vier kozakken rond een kampvuur, twee met lansen te paard, één drinkt een glas leeg. Een schilderij van Pieter Gerardus van Os. (collectie Rijksmuseum)   Na de nederlaag bij Leipzig (19 oktober 1813) vertrokken de Napoleontische legers uit Nederland. Maar nog niet overal kon de jenever worden opengetrokken. In Naarden weigerden tweeduizend Fransen hun wapens neer te leggen. De Nederlandse regering zag geen andere mogelijkheid dan overgaan tot geweld. Bij het uitbreken van de Nederlandse volksopstand op 17 november 1813 toonde generaal Quitard de la Porte, aanvoerder van de Franse troepen in Naarden, zich niet onder de indruk. Vanuit de vesting verklaarde hij de oorlog aan de nieuwe Nederlandse autoriteiten. Het Voorlopig Bewind, dat de macht had overgenomen, moest nu zijn tanden laten zien. Om de Franse troepen uit Naarden te verjagen, zond de regering niet de minste kandidaat: Generaal Cornelis Krayenhoff (1758-1840). De net benoemde gouverneur van Amsterdam diende voorheen Napoleon, maar stond nu aan het hoofd van de Hollandse troepenmacht die het bezette Naarden moest bevrijden. Hierbij kreeg hij hulp van buitenlandse strijdkrachten, onder wie formidabele Russische krijgers: de kozakken. Beschieting van de stad De Hollanders konden evenwel niet rekenen op de bijstand van de weergoden. De aanhoudende sneeuwval belemmerde de aanleg van batterijen en het opslaan van kampementen, terwijl het gemis aan winterjassen zich deed voelen onder de manschappen. Niet alleen soldaten leden onder de oorlogspanningen. De inwoners van Naarden vroegen hun burgemeester of zij de stad mochten verlaten. Hij wilde wel toestemming verlenen, maar op voorwaarde dat de burgers eerst hun achterstallige belastingen betaalden. Zo wisten alleen degenen die diep genoeg in...
Gruwelijke guerilla in Wallachije

Gruwelijke guerilla in Wallachije

Zomer 1445, een goed humeur onder de edelen van het Roemeense vorstendom Wallachije. Ter verwelkoming van de nieuwe vorst zijn de mannen, met hun vrouwen, uitgenodigd voor het koninklijk banket. Een bik op de tafel leert dat de gastheer zijn best heeft gedaan: gekonfijte konijn met pruimen, gegrild lamsvlees met honing, rijkelijke hoeveelheden wijn. Zelf laat hij zich de lekkernijen eveneens smaken. De jonge prins is een knappe verschijning, met brede schouders, zwarte snor en lange donkere haren. Wel schijnt er af een toe een merkwaardige glinstering in zijn ogen. Voor de  gasten geen punt. Lachend slaan zij elkaar op de schouders. Rond het middaguur, wanneer de wijn in de man is, krijgen zij van het tafelhoofd opeens een vraag voorgeschoteld: ‘Beste edelen, hoeveel vorsten hebben jullie tot nu toe gediend.” Vijftien heer”, smult een besnorde grondbezitter,  achterin de zaal. “Ik wel 25”, grapt een stevige gebouwde kerel. ‘ Grinnikend bieden de manen tegen elkaar op, al krijgen enkelen een naar voorgevoel. Een jongeling laat zijn beker vallen.’ De vorst wacht tot allen zijn uitgelachen en herneemt het woord, op duistere toon: ‘Ontrouw maakt mij op geen manier vrolijk. Benieuwd of jullie vandaag blijven lachen.’ Op zijn teken schieten bewakers vanachter de coulissen naar voren. Zij grijpen de edelen vast en sleuren hen mee naar buiten naar de heuvels buiten het paleis. Verschrikt wenden zij hun hoofd, wanneer zij hun lot onder ogen zien: een rij lange houten palen. Met slagen, trappen en verwensingen gaan de mannen en vrouwen een voor een aan het spies. Tussen de stervenden loopt de vorst bedachtzaam, knabbelend aan een konijnenpootje. Zijn naam is...