Het koningshuis staat stil bij de dood van Jorge Zorreguieta. De vader van koningin Máxima bekleedde tussen 1976 en 1981 een ministerspost in het regime van de militaire junta, die door een staatsgreep de macht had overgenomen. De militairen wisten wel raad met politieke tegenstanders. Tienduizenden burgers werden doodgemarteld en uit vliegtuigen in zee geworpen.

Het besmeurde verleden van Jorge Zorreguieta vormde voor de Oranjes geen belemmering om hem in de armen te sluiten als schoonfamilie. En waarom ook? De koninklijke familie herleidt zijn stamboom immers tot misschien wel een van de grootste moordenaars van de vaderlandse geschiedenis: Willem van Oranje.

De Prins bestreed niet alleen de Spaanse koning, maar ook de Nederlandse bevolking te vuur en te zwaard. De soldaten van Oranje hanteerden een tactiek van de verschroeide aarde. Zij roofden het platteland leeg, vermoordden de plaatselijke bevolking en zetten landerijen onder water, waardoor dijken – essentieel voor het handelsnetwerk van de boeren – uit hun voegen barstten. De boeren konden geen gebruik meer maken van hun akkers, verloren hun inkomsten en moesten verhuizen. In de zomer van 1583 kreeg de meierij, een gebied van 110 dorpen rond Den Bosch, te maken met de vergeldingskracht van Willem van Oranje. Hij richtte zijn pijlen op Den Bosch, dat de kant van de Spanjaarden had gekozen.

Historica Marjolein ’t Hart: ‘De meierij ‘hoorde’ bij Den Bosch; dus dat maakte de boerenbewoners vijanden van het Hollandse regime. Maar de boeren werden op geen enkele manier beschermd door Den Bosch en ze bevonden zich dus tussen twee vuren. De Spanjaarden zetten grote kampementen op met soldaten die zich aan god noch gebod stoorden. In die situatie is Willem van Oranje belangrijk geweest voor de introductie van verschroeide-aarde campagnes. Die werden steeds heviger en beter gepland. Die van 1583 bijvoorbeeld, bekrachtigd met de handtekening van Willem van Oranje, heeft hele dorpen platgebrand.’

De overleden historicus Leo Adriaenssen schreef in 2007 een gewaardeerd, maar weinig belicht proefschrift ‘Staatsvormend Geweld.’ Hierin beschuldigde hij Willem van Oranje ervan bewust een hongersnood in de meierij van Den Bosch te hebben opgewekt. Volgens Adriaenssen zou tussen 1579 en 1588 de boerenbevolking met bijna zeventig procent zijn afgenomen.

Om tot deze schrikbarende conclusie te komen, verrichtte hij meer dan tien jaar bronnenonderzoek naar duizenden geschriften. Onmiddellijk na de publicatie stuitte ’Staatsvormend Geweld’ op veel weerstand.

Vooraanstaande historici negeerden Adriaenssens bevindingen en gaven vooral commentaar op zijn terminologie. Willem van Oranje neerzetten als een oorlogsmisdadiger vonden zij ongepast, omdat modern oorlogsrecht in die tijd nog niet bestond. Bovendien stond de Prins niet alleen in zijn daden. Andere krijgsheren konden er ook wat van.

Historicus en oranjekenner Ronald de Graaf heeft als een van de weinige historici ook inhoudelijke kritiek op het werk van Adriaenssen: ‘Hij houdt de verkeerde aansprakelijk. Niet de Prins, maar de Staten waren verantwoordelijk voor het nietsontziende beleid rond Den Bosch. Oranje was weliswaar de ‘overall’ legeraanvoerder en adviseur van de Staten-generaal, maar hij kon zelf niet beslissen, want dat deden de Staten zelf. Bovendien opereerde Oranje in die periode achter de schermen. Zijn zoon stadhouder Maurits was veel actiever op het slagveld. Wel zal de Prins op de hoogte zijn geweest van de excessen en hij zal er zelfs de noodzaak van hebben ingezien. Daar heeft Adriaenssen een punt’

Maar volgens ’t Hart kan Oranje wel degelijk aansprakelijk worden gesteld: ‘Het is waar dat de verschroeide-aarde tactieken veel erger werden onder Maurits, die zelf het bevel voerde en dus ter plekke kon zien wat hij aanrichtte, maar dat kwam omdat de soldaten veel beter geoefend waren dan in de jaren daarvoor.´

Hoogleraar geschiedenis Erik Swart valt het op dat er geen schriftelijke correspondentie bestaat over de ontvolking van de meierij van Den Bosch: ‘Ik heb weleens met de gedachte gespeeld dat Oranje dit soort zaken bewust mondeling afhandelde, om geen vingerafdrukken na te laten. Ik acht het niet onmogelijk. Hoe dan ook, de boeren hadden in oorlogstijd niet dezelfde privileges als edelen. Ze deden er niet toe en ze stonden machteloos tegenover rovende soldaten.’

De Graaf vindt evenwel dat met de beschuldigingen Oranje geen recht wordt gedaan:’Juist door verzoeningsgezindheid onderscheidde hij zich van andere krijgsheren. Bovenal was Oranje een vakkundig diplomaat die handelde uit overtuiging. Hij ging mee met het verharden van de strijd, maar een oorlogsmisdadiger met het idee van: ’We gaan systematisch de boeren uitmoorden, nee!’