Gruwelijke guerilla in Wallachije

Gruwelijke guerilla in Wallachije

Zomer 1445, een goed humeur onder de edelen van het Roemeense vorstendom Wallachije. Ter verwelkoming van de nieuwe vorst zijn de mannen, met hun vrouwen, uitgenodigd voor het koninklijk banket. Een bik op de tafel leert dat de gastheer zijn best heeft gedaan: gekonfijte konijn met pruimen, gegrild lamsvlees met honing, rijkelijke hoeveelheden wijn. Zelf laat hij zich de lekkernijen eveneens smaken. De jonge prins is een knappe verschijning, met brede schouders, zwarte snor en lange donkere haren. Wel schijnt er af een toe een merkwaardige glinstering in zijn ogen. Voor de  gasten geen punt. Lachend slaan zij elkaar op de schouders. Rond het middaguur, wanneer de wijn in de man is, krijgen zij van het tafelhoofd opeens een vraag voorgeschoteld: ‘Beste edelen, hoeveel vorsten hebben jullie tot nu toe gediend.” Vijftien heer”, smult een besnorde grondbezitter,  achterin de zaal. “Ik wel 25”, grapt een stevige gebouwde kerel. ‘ Grinnikend bieden de manen tegen elkaar op, al krijgen enkelen een naar voorgevoel. Een jongeling laat zijn beker vallen.’ De vorst wacht tot allen zijn uitgelachen en herneemt het woord, op duistere toon: ‘Ontrouw maakt mij op geen manier vrolijk. Benieuwd of jullie vandaag blijven lachen.’ Op zijn teken schieten bewakers vanachter de coulissen naar voren. Zij grijpen de edelen vast en sleuren hen mee naar buiten naar de heuvels buiten het paleis. Verschrikt wenden zij hun hoofd, wanneer zij hun lot onder ogen zien: een rij lange houten palen. Met slagen, trappen en verwensingen gaan de mannen en vrouwen een voor een aan het spies. Tussen de stervenden loopt de vorst bedachtzaam, knabbelend aan een konijnenpootje. Zijn naam is...